Pool

8-ball, 9-ball en straight-pool (14-1)

Doel van het spel

Eight bal is een ‘aankondigingspel’ dat gespeeld wordt met een witte speelbal en vijftien genummerde ballen. De ene speler moet de ballen 1 tot en met 7 (de volle ballen) potten, terwijl de andere speler de ballen 9 tot en met 15 (de gestreepte ballen) moet potten. Van zodra een speler alle ballen van zijn eigen soort gepot heeft, mag hij proberen de 8-ball te potten. De speler die daar als eerste in een geldige stoot in slaagt, wint het spel.

Aankondigingen

Voor de hand liggende ballen en pockets moeten niet aangekondigd worden. Als het voor hem niet duidelijk is, heeft de regenspeler echter steeds het recht om te vragen welke bal en pocket gespeeld gaat worden. Stoten via banden en combinatiestoten worden niet als voor de hand liggend beschouwd en dienen steeds aangekondigd te worden. Bij het aankondigen is het nooit nodig om eventueel te raken banden, combinaties en dergelijke meer te vermelden.

Ballen die gepot worden in een stoot waarin een fout gemaakt werd, blijven gepot ongeacht van welke speler ze zijn.

Bij de openingsstoot moet niet aangekondigd worden. Indien de openende speler bij de openingsstoot op geldige wijze een of meer genummerde ballen pot, mag hij verder spelen.

De Openingsconfiguratie

De ballen worden in de vorm van een omgekeerde driehoek op de tafel gelegd, met de topbal van de driehoek op het voetpunt. De 8-Ball is de middelste uit de rij van 3 ballen. De beide buitenste ballen va de rij van 5 zijn van een verschillende soort: de ene vol, de ander gestreept.

Afwisselt Openen

De winnaar van de ‘lag’ (zoals vermeld in regel 3.5) kiest of hij zelf opent of dat hij de tegenspeler laat openen. Tijdens een individuele competitie openen de spelers afwisselend.

Opgelet

Er wordt steeds meer het 9-Ball principe van ‘winnaar breekt’ gebruikt.

Jump en Masseerfouls

Het is een fout als de speelbal bij een poging tot jumpshot over of masseren of draaien rond een niet legale tussenliggende bal, die bal ais eerste raakt.

De geldige Openingsstoot

Om geldig te openen, moet de openende speler (met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn) ofwel (1) een of meerdere balen potten, ofwel (2) minstens vier genummerde ballen een band laten raken. Slaagt hij er niet in om geldig te openen, dan maakt hij een fout en krijgt de tegenspeler de keuze: (1) de positie aanvaarden en zelf verder spelen of (2) de ballen opnieuw laten opleggen en dan kiezen wie opent: hijzelf of zijn tegenspeler.

De Speelbal Potten tijdens de opening

Als bij de openingsstoot de speelbal gepot wordt, (1) blijven alle gepotte ballen gepot (behalve de 8-bal: zie regel 4.9), (2) is het een fout en (3) is de tafel open. De inkomende speler krijgt de speelbal in de hand achter de hoofdlijn met alle bijhorende bepalingen (zie regels 3.9, 3.15, 3.38 en 3.39).

GENUMMERDE BALLEN VAN DE TAFEL SPELEN BIJ DE OPENING.

Als een speler bij de openingsstoot een genummerde bal van de tafel laat afspringen, dan is dat een fout en heeft de inkomende speler de keuze: (1) de positie aanvaarden en zelf verder te spelen of (2) de speelbal in de hand achter de hoofdlijn nemen.

DE 8-BALL POTTEN BIJ DE OPENING.

Wanneer bij de opening de 8-Ball gepot wordt, heeft de openende speler de keuze: (1) de ballen terug laten opleggen en zelf terug openen of (2) de 8-ball laten spotten en verder spelen.

Als tegelijk met de 8-ball ook de speelbal gepot wordt, mag de inkomende speler kiezen: (1) de ballen opnieuw laten opleggen en zelf openen of (2) de 8-ball laten spotten en zelf verder spelen met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn.

DE OPEN TAFEL.

De tafel is open zolang niet vaststaat welke speler met welke soort ballen (de groep: de volle of de gestreepte ballen) speelt. Bij een open tafel mag men als eerste een volle bal raken om een gestreepte bal te potten en vice versa. De tafel is steeds open na de openingsstoot. Bij een open tafel is het toegestaan om eender welke volle of gestreepte bal als eerste te raken om een bal te potten; is het echter de 8-ball die als eerste geraakt wordt dan (1) verliest de speler zijn beurt; (2) blijven alle gepotte ballen gepot en (3) blijft de tafel open.

Op een open tafel blijven alle ongeldig gepotte ballen gepot.

KEUZE VAN DE GROEP.

De keuze van de groep gebeurt nooit bij de openingsstoot, zelfs niet als daarin ballen gepot worden. Onmiddellijk na de openingsstoot is de tafel steeds open. De keuze staat vast vanaf de eerste geldig gepotte bal (zie regel 4.12).

DE GELDIGE STOOT.

Bij iedere stoot (behalve bij de openingsstoot en bij een open tafel) moet de speelbal eerst een bal van de eigen soort raken waarna (1) een genummerde bal gepot moet worden of (2) de speelbal of eender welke genummerde bal een band moet raken.

Opgelet: het is toegestaan om de speelbal op een band te laten botsen alvorens een genummerde bal te raken: na het contact met de genummerde bal moet echter nog steeds een (genummerde) bal gepot of tegen een band gedreven worden. Voldoet men niet aan deze vereisten, dan maakt men een fout.

HET SAFETY-SHOT.

Omwille van tactische redenen kan een speler verkiezen om een bal te potten en toch niet aan beurt te blijven. Hij kan dit doen door een safetystoot aan te kondigen: een safetystoot is een geldige stoot. Als een speler een safetystoot wil uitvoeren op een voor de hand liggende bal, dan moet hij dat vooraf aankondigen. Doet hij dat niet en pot hij in de stoot een of meerdere ballen van zijn eigen groep, dan moet de speler zelf verder spelen. Alle ballen die bij een safetystoot gepot wordt blijven gepot.

HET SCOREN.

Een speler mag verder spelen tot hij er niet meer in slaagt om op geldige wijze een bal van zijn eigen groep te potten. Van zodra een speler alle ballen van zijn groep gepot heeft, speelt hij om de 8-ball te potten.

STRAF VOOR EEN FOUL.

Na een fout krijgt de tegenspeler krijgt de speelbal in de hand over de volledige tafel. Enkel bij fout bij de openingsstoot krijgt hij de speelbal in de hand achter de hoofdlijn. Deze regel voorkomt het maken van opzettelijke fout om de tegenspeler nadeel te bezorgen. Met de speelbal in de hand mag een speler zijn hand of ieder deel van de keu (de pomerans inbegrepen) gebruiken om de speelbal te plaatsen. Bij die plaatsing telt iedere voorwaartse stootbeweging waarbij de speelbal geraakt wordt en die niet resulteert in een geldige stoot (zie ook regel 3.39) als een fout.

COMBINATIESTOTEN.

Combinatiestoten zijn toegestaan. De 8-ball mag echter niet als eerste geraakt worden as de tafel niet meer open is.

ONGELDIG GEPOTTE BALLEN.

Een ongeldig gepotte bal is een bal die gepot werd (1) in een stoot waarin een fout gemaakt werd, (2) in een andere dan de aangekondigde pocket, of (3) in een safetystoot. Ongeldig gepotte ballen blijven gepot.

GENUMMERDE BALLEN UIT DE TAFEL SPELEN.

Worden er genummerde ballen uit de tafel gespeeld, dan is dat een fout en gaat de beurt over op de tegenspeler. Is het de 8-ball die uit de tafel gespeeld wordt, dan verliest men het spel. Uit de tafel gespeelde genummerde ballen worden terug gespot overeenkomstig regel 3.31.

SPELEN OP DE 8-BALL.

Maakt men bij het spelen op de 8-ball een fout maar wordt de 8-ball niet gepot of uit de tafel gespeeld, dan is dat een gewone fout en geen verlies van het spel. De inkomende speler krijgt de bal in de hand.

SPELVERLIES.

In de volgende gevallen verliest men het spel:

Een fout maken bij het potten van de 8-ball (behalve bij de opening, zie regel 4.9) de 8-ball potten in dezelfde stoot als die waarin de laatste van zijn groep ballen gepot wordt de 8-baI uit de tafel spelen de 8-ball potten in een andere dan de aangekondigde pocket de 8-ball potten wanneer er nog genummerde ballen van de eigen soort op tafel liggen PATSTELLING. Als, na drie opeenvolgende beurten aan de tafel door iedere speler (in totaal dus 6 beurten) men nog slechts twee genummerde ballen en de 8-ball op tafel, in de ogen van de scheidrechter (of van beide spelers als er geen scheidsrechter aanwezig is) geen van beide spelers nog probeert om het spel te winnen omdat het anders hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot het spelverlies, dan worden de ballen terug opgelegd en opent de openende speler van het afhangende spel opnieuw.

9-bal

DOEL VAN HET SPEL

Nine bal wordt gespeeld met de witte speelbal en de genummerde ballen van een tot en met negen. Bij elke stoot moet de speelbal als eerste de laagst genummerde bal op de tafel raken, doch de ballen moeten niet in volgorde gepot worden. Zolang hij op een geldige manier genummerde ballen pot en hij geen fout maakt of het spel wint door de 9-ball te potten, blijft een speler aan de beurt. Na een misser moet de aan tafel komende speler beginnen met de speelbal op de plaats waar hij ligt; werd er echter een fout gemaakt, dan krijgt hij de bal in de hand overal op de tafel. De stoten moeten niet aangekondigd worden.

DE OPENINGSCONFIGURATIE.

De ballen worden in een ruitvorm gelegd met de 1-ball op het voetpunt, en de 9-ball in het centrum van de ruit, die met de lange diagonaal op de lange lijn ligt.

De overige ballen liggen willekeurig in de ruit waarbij ze elkaar moeten raken. Het spel begint met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn.

DE GELDIGE OPENINGSSTOOT.

De regels voor de openingsstoot zijn dezelfde als voor alle andere stoten, met de volgende bijzonderheden:

de openende speler moet niet enkel de 1-ball als eerste raken maar moet daarna tevens ofwel een of meerdere genummerde ballen potten ofwel minimaal vier genummerde ballen tegen een band spelen als de speelbal gepot of uit de tafel gespeeld wordt of als niet voldaan werd aan de hierboven genoemde vereisten, dan is dat een fout en krijgt de aan tafel komende speler de bal in de hand over de hele tafel als bij de openingsstoot een genummerde bal uit de tafel gespeeld word, dan is dat een fout en krijgt de aan tafel komende speler de bal in de hand op de hele tafel; de uit de tafel gespeelde bal wordt niet terug gespot, tenzij het de 9-ball is.

VERDERE VERLOOP VAN HET SPEL

Op de stoot direct volgend op de openingsstoot mag een ‘push out’ gespeeld worden (zie regel 5.5). Als de openende speler een of meerdere ballen pot, mag hij verder spelen tot hij mist, wint of een fout maakt. Als de speler mist of een fout maakt, speelt de tegenspeler op dezelfde voorwaarden verder. Het spel gaat verder tot de 9-ball geldig gepot wordt of de wedstrijd omwille van een ernstige inbreuk gestopt wordt met forfait.

DE ‘PUSH OUT’.

De speler die de eerste stoot na de openingsstoot – die geldig moet geweest zijn – speelt mag een ‘push out’ spelen om de speelbal in een betere positie te leggen voor het verdere spel. Bij een ‘push out’ is het niet nodig de speelbal een genummerde bal of een band te laten raken; alle andere foulregels blijven echter gelden. Een ‘push out’ dient vooraf aangekondigd te worden, zo niet zal de stoot als een gewone stoot beschouwd worden. Alle ballen die tijdens een ‘push out’ gepot worden, blijven gepot, uitgezonderd de 9-ball, die terug gespot wordt. Een ‘push out’ is een geldige stoot zolang er geen regels (behalve 5.7 en 5.8) worden overtreden. Een ongeldige ‘push out’ wordt overeenkomstig de overtreden regel bestraft.

Na een ‘push out’ mag de inkomende speler kiezen of hij de volgende stoot zelf speelt, of dat hij hem overlaat aan de speler van die de ‘push out’ gespeeld heeft. In beide gevallen zijn alle volgende stoten gewone stoten, die op een geldige wijze gespeeld dienen te worden. Als bij de openingsstoot de speelbal gepot werd, mag er geen ‘push out’ gespeeld worden.

FOULS.

Als een speler een fout maakt, dan stopt zijn beurt. Alle ballen die hij gepot heeft blijven weg, uitgezonderd de 9-ball die terug gespot wordt. De inkomende speler krijgt de bal in de hand op de hele tafel. Maakt een speler meerdere fout in eén enkele stoot, dan worden die als slechts een fout gerekend.

VERKEERDE BAL RAKEN.

Als de eerst geraakte bal niet die met het laagste nummer is, dan is dat een fout.

GEEN BAND RAKEN.

Als men na het aanspelen van de laagst genummerde bal op de tafel geen bal pot en er wordt geen band meer geraakt, dan maakt men een fout.

BAL IN HAND.

Als een speler de bal in de hand krijgt, dan mag hij die overal op de tafel leggen zonder even wel een genummerde bal aan te raken. Hij mag de positie steeds verbeteren tot hij afstoot.

BALLEN UIT DE TAFEL SPELEN.

Een niet-gepotte bal wordt als uit de tafel gespeelde bal aangezien als hij stil komt te liggen op een andere plaats dan op het speelvlak van de tafel. Een bal uit de tafel spelen betekent dat men een fout maakt; zulke ballen blijven weg, tenzij het om de 9-ball gaat.

JUMP- EN MASSEERFOULS.

Het is een fout als de speelbal bij een poging tot jumpshot over of masseren of draaien rond een niet legale tussenliggende bal, die bal als eerste raakt.

DRIE OPEENVOLGENDE FOULS.

Als een speler drie opeenvolgende fout begaat in drie opeenvolgende stoten (dus zonder dat hij intussen een geldige stoot maakt), dan verliest hij het spel. De drie fout moeten alle drie in hetzelfde spel plaatsvinden. De speler moet tussen de tweede en de derde fout – op het moment dat hij de ‘derde’ maal aan de tafel komt – gewaarschuwd worden dat hij reeds twee opeenvolgende fout gemaakt heeft.

De beurt van een speler begint wanneer het voor hem toegelaten is een stoot uit te voeren en eindigt bij het einde van de stoot (als hij mist, een fout begaat of het spel wint) of wanneer hij een fout maakt.

EINDE VAN HET SPEL.

Een spel begint zodra de speelbal de hoofdlijn overschrijdt bij de openingsstoot. De 1-ball moet geldig geraakt worden bij de openingsstoot. Het spel eindigt bij de geldige stoot waarin de 9-ball gepot wordt of wanneer een speler een forfait heeft tengevolge een fout.

Straight (14-1)

DOEL VAN HET SPEL 14.1

Continuüm is een ‘aankondigingspel’. Spelers moeten voor elke stoot de bal en zijn pocket aankondigen. Een speler scoort een punt voor iedere correct aangekondigde en in een geldige stoot gepotte bal. Hij mag verder spelen tot hij er niet langer in slaagt een aangekondigde bal geldig te potten of hij een fout maakt. Een speler kan de eerste 14 ballen potten, maar voor hij dan verder speelt door op de 15de (laatst op de tafel overblijvende) bal te spelen, moeten de 14 gepotte balen terug opgelegd worden met een vrije plaats op het voetpunt. De speler probeert dan de 15de bal te potten op een dusdanige wijze dat de opgelegde ballen uit elkaar gespeeld worden en hij zijn beurt verder kan zetten. De speler die als eerste het vooropgestelde puntenaantal bereikt (gewoonlijk 150 in grotere toernooien), wint het spel.

AANTAL SPELERS.

2 Spelers of 2 ploegen.

GEBRUIKTE BALLEN.

Een standaard set met ballen genummerd van 1 tot en met 15 en een witte speelbal.

DE OPENINGSCONRGURATIE.

Een gebruikelijke driehoek met de top op het voetpunt, de 1-ball op de rechterhoek van de oplegger en de 5-ball op zijn linkerhoek. De overige ballen worden willekeurig gelegd en moeten al hun buren raken.

HET SCOREN.

Elke geldig gepotte bal scoort 1 punt voor de speler aan beurt

DE OPENINGSSTOOT.

De openende speler moet ofwel (1) een bal en de pocket waarin die gepot zal worden, aankondigen en daar ook in slagen, ofwel (2) de speelbal een genummerde bal laten raken en vervolgens de speelbal en minimaal twee genummerde ballen een band laten raken. Voldoet men niet 1 van beide voorwaarden dan maakt men en ‘openingsfout’, die bestraft wordt met twee minpunten (die van de score afgetrokken worden). Na een ‘openingsfout’ heeft de tegenspeler bovendien de keuze om (1) de positie te aanvaarden en zelf verder te spelen, of (2) de ballen terug te laten opleggen en dezelfde speler opnieuw te laten openen.
Wordt bij de openingsstoot voldaan aan de hierboven genoemde eisen maar wordt de speelbal gepot, dan is dat een fout, die bestraft wordt met 1 minpunt en die wel meetelt voor de ‘drie-foul-regel’. De inkomende speler krijgt de bal in de hand achter de hoofdlijn met de genummerde ballen op de posities waar ze tot stilstand gekomen zijn.

SPELREGELS. 1.

Zolang een speler op een Iegale wijze ballen pot, blijft hij aan de beurt. Een speler mag eender welke bal kiezen, maar dient weI steeds de gekozen bal en pocket aan te kondigen. Details zoals eventueel te raken banden, combinaties, en dergelijke meer (die alle geldig zijn) dienen niet vermeld te worden. Worden in een geldige stoot naast de aangekondigde bal in de aangekondigde pocket nog meerdere ballen gepot, dan krijgt de speler voor elk van die gepotte ballen 1 punt.

2. Bij alle stoten dient de speler de speelbal een genummerde bal laten raken en daarna ofwel (1) een genummerde bal te potten, ofwel (2) de speelbal of eender welke genummerde bal tegen een band te spelen. Voldoet men daar niet aan, dan maakt men fout.

Ligt een genummerde bal minder dan 1 baldikte van de band zonder dat hij er vast tegenaan ligt (de scheidsrechter zal dit desnoods nameten), dan mag eenzelfde speler slechts twee opeenvolgende (geldige) safetystoten spelen op die bal met gebruik van alleen maar die band. Voor zijn volgende beurt beschouwt men die bal als vast tegen de band liggend en gelden de bepalingen van regel 3.37.

(Opgelet: voor een speler wiens vorige stoot een fout was, wordt zulke bal de volgende beurt direct a]s vast tegen de band liggend beschouwd en hij moet dan ook dadelijk voldoen aan de voorschriften voor bal vast tegen de band. Datzelfde geldt voor een speler die de vorige twee stoten een fout maakte of die in de stoot direct na een safety-stoot op zulke bal (en met dus alleen die nabije band te gebruiken) een fout maakte; ook zij moeten dus meteen aan deze voorschriften voldoen. Doen ze dat niet, dan wordt hen een ‘derde opeenvolgende fout’ toegekend en wordt de overeenkomstige puntensanctie opgelegd samen met de puntenaftrek van de voorgaande fout (in totaal worden dus 17 minpunten geteld). De vijftien ballen worden dan opnieuw opgelegd en de speler die de fout beging moet dan openen zoals bij de aanvang van het spel.)

3. Wanneer de veertiende bal gepot is, wordt het spel tijdelijk stilgelegd. De speelbal en de overblijvende vijftiende bal blijven liggen op de plaats waar ze liggen, de veertien gepotte ballen worden terug opgelegd waarbij de plaats van de topbal (op het voetpunt) open blijft. De speler zet dan zijn beurt voort waarbij hij eender welke bal mag aanspelen (normaal gezien zal hij de vijftiende bal proberen te potten op een dusdanige wijze dat de speelbal het veld openspeelt, om zo het verderzetten van zijn beurt te vergemakkelijken).

4. Omwille van redenen van defensieve aard mag een speler een safety-stoot aankondigen. Ze zijn geldig, zolang aan alle geldende regels voldaan wordt. Na een safety-stoot is de beurt van de speler over; eventueel in de safety-stoot gepotte ballen Leveren geen punten op en worden terug gespot.

5. Een speler mag een bal, die in de richting van een pocket of de ‘driehoek’ loopt, niet vastnemen, aanraken, of op eender welke wijze beïnvloeden (het vastnemen van een bal die in een pocket rolt door zijn hand in de pocket te steken inbegrepen). Doet hij dat toch, dan maakt hij een zogenaamde ‘opzettelijke fout’ die bestraft wordt met zestien minpunten: 1 voor de fout en vijftien voor het opzettelijke karakter ervan. De inkomende speler mag kiezen: (1) de positie aanvaarden en zelf met de bal in de hand achter de hoofdlijn verder spelen, of(2) de vijftien ballen opnieuw laten opleggen en de speler die de fout beging laten openen (met alle eisen voor een gewone openingsstoot).

6. Als de vijftiende (niet-gepotte) bal en/of de speelbal het laten zakken van de driehoek om de ballen terug op te Ieggen hindert, moeten de ballen volgens de onderstaande tabel opgelegd worden.

Speelbal
15e bal In de driehoek Niet in de driehoek
Niet op het hoofdpunt Op het hoofdpunt
In de driehoek 15e bal: voetpunt
Speelbal: hoofdveld 15e bal: middelpunt
Speelbal: in positie 15e bal: voetpunt
Speelbal: in positie
Gepot 15e bal: voetpunt
Speelbal: hoofdpunt 15e bal: voetpunt
Speelbal: in positie 15e bal: voetpunt
Speelbal: in positie
In het hoofdveld
Niet op het hoofdpunt 15e bal: in positie
Speelbal: hoofdpunt
Niet in het hoofdveld
En niet in de driehoek 15e bal: in positie
Speelbal: hoofdbal
Op het hoofdpunt 15e bal: in positie
Speelbal: middenpunt Op het hoofdpunt betekent in de weg om een bal te spelen

7. Heeft een speler de bal in de hand achter de hoofdlijn (na het potten of uit de tafel spelen van de speelbal), en liggen alle overblijvende genummerde ballen in het hoofdveld, dan mag de speler vragen de genummerde bal die het dichtst bij de hoofdlijn ligt te spotten op het voetpunt Liggen twee of meer ballen even ver van de hoofdlijn, dan mag de speler kiezen welke van deze ballen hij eventueel wil laten spotten.

ONGELDIG GEPOTTE BALLEN.

Ongeldig gepotte ballen worden zonder vederen sancties gespot.

GENUMMERDE BALLEN UIT DE TAFEL SPELEN.

De stoot is een fout en alle uit de tafel gespeelde ballen worden gespot nadat alle ballen tot stilstand gekomen zijn.

SPEELBAL POTTEN OF UIT DE TAFEL SPELEN.

De inkomende speler krijgt de bal in de hult achter de hoofdlijn, tenzij de regels 6.7.2, 6.7.5 of 6.12 van toepassing zijn en andere keuzes of procedures voorschrijven.

STRAFFEN VOOR FOULS.

Voor ieder fout wordt 1 punt afgetrokken. Opgelet: er zijn strengere straffen voor opzettelijke fout (zie regel 6.7.5) en voor drie opeenvolgende fout (zie regel 6.12). De inkomende speler speelt verder vanuit de positie waarin de ballen tot stilstand gekomen zijn tenzij (1) de fout een uit de tafel gespeelde speelbal was, (2) het een vrijwillige fout was (zie regel 6.7.5) of(3) het om een derde opeenvolgend fout ging (zie regel 6.12).

6.12. STRAFFEN VOOR OPEENVOLGENDE FOULS.

Een speler die een fout maakt, krijgt hij 1 (of in sommige gevallen meer) minpunt(en) aangetekend en er wordt aan de speler medegedeeld dat hij op 1 fout staat. Is zijn volgende stoot geldig dan wordt zijn fout uitgeveegd. Slaagt hij daar niet in, dan krijgt hij opnieuw 1 minpunt toegewezen en komt hij op twee fout te staan. Slaagt hij bij zijn derde beurt aan de tafel nog niet, dan maakt hij zijn derde opeenvolgende fout waarvoor hij vijftien strafpunten krijgt. De ballen worden nu allemaal terug opgelegd en de falende speler moet openen volgens de daarvoor geldende regels.

Na een derde opeenvolgende fout komt een speler terug op nul fout te staan.

Het dient benadrukt te worden dat opeenvolgende fout in opeenvolgende stoten of pogingen aan de tafel dienen gemaakt te worden, niet enkel in opeenvolgende beurten aan tafel. Beëindigt een speler de 6de beurt bijvoorbeeld met een fout, en maakt bij zijn eerste stoot van zijn 7de beurt een fout, dan staat hij op twee fout. Begint hij de 8ste beurt dan met een geldig gepotte bal waarna hij de speelbal pot bij zijn tweede stoot, heeft hij geen drie opeenvolgende fout gemaakt. Door het geldig potten van een bal in zijn eerste stoot van de 8ste beurt, had hij zijn strafregister uitgeveegd. Hij begint de 9de beurt dus op 1 fout (die uit de 8e beurt).

HET SCOREN.

Het toekennen van minpunten kan aanleiding geven tot een negatieve score. Tijdens het spel kul een score dus ‘min 1′,’min twee’,’min vijftien’ en dergelijke bedragen. (Een speler kan zo een spel winnen terwijl zijn tegenspeler enkel twee fout heeft gemaakt; de eindscore bedraagt dan 150 tegen -2.) Als een speler fout tijdens een stoot waarin geen ballen werden gepot, dan wordt het minpunt van de score bij het einde van de vorige stoot afgetrokken. Pot een speler een bal bij dezelfde stoot als deze waarin hij faalt, dan wordt de bal gespot (geen punten) en wordt het minpunt afgetrokken van de score bij zijn vorige stoot